|
FCI: Afkorting van 'Fédération Cynologique
Internationale', de internationale overkoepelende organisatie op
kynologisch gebied. Flankeren: Het systematisch (zigzaggend)
afzoeken van een terrein door een jachthond. Flyball: Tak van
hondesport waarbij over een hindernissenparcours een balletje moet worden
geapporteerd. Franje: Lange beharing aan de oren. Frans
staan: Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan.
Front: Meestal worden hiermee de voorbenen bedoeld. Ook vooraanzicht
(borstpartij en voorbenen) |
| |

naar boven
|
G |
Gaan, gebonden ~: Het te weinig
naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen. Gaan,
nauw ~: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voorbenen en/of
achterbenen. Gaan, éénsporig ~:Het
tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn
vormen. Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam
zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt. Gangwerk:
De manier waarop een hond zich voortbeweegt. Garnituur: Zware
wenkbrauwen, samen met snor en baard. Geblokt: Zie vierkant
Gebonden gaan: Zie gebonden gaan
Gestrekt: De lengte van de hond is meer dan de schofthoogte.
Gestroomd: Min of meer duidelijke streep
donkere haren op een lichte ondergrond. Getijgerd: Onregelmatig
vlekkenpatroon als bij blue merle (o.a. Dashonden). G & G:
Afkorting van 'Gedrag en Gehoorzaamheid'. Tak van
de hondensport waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere
honden en personen, en gegeven commando's uit te voeren. Gladharig:
Kort, aanliggend haar zonder ondervacht. Glasoog:
Oog met blauwe iris. G-hond: Hond die de kwalificatie goed
krijgt op exposities
Groep: 1) Op exposities
kunnen 3 of meer honden van eenzelfde ras/varieteit als groep geshowed
worden. 2) Een aantal rassen dat op grond van bepaalde kenmerken
bij elkaar hoort. Groepskeurmeester: Een keurmeester
die bevoegd is een rasgroep te keuren (bijv. alle dogachtigen, alle wind-honden).
Grond beslaan, veel ~: a) In stand: benen wijd uit
elkaar geplaatst. b) In beweging: ruim uitgrijpend gangwerk.
Gevlekt: Kleine vlekken op een witte ondergrond.
|

naar boven
|
H |
Haakstaart: Zodanige knik in de staartwervels dat een haakse
bocht ontstaat. Halfwindhonden: Windhonden met eigenschappen
van brakken die de gebogen
rug missen, staande oren hebben, zowel op zicht als op reuk jagen en ook
apporteren. Hals geven: Het blaffen
of huilen van jachthonden (vooral bij brakken).
Hangend oor: Oor dat vlak langs het hoofd hangt. Harlekijn:
Witte grondkleur met grotere en kleinere zwarte vlekken zoals bij een
Duitse Dog. Hazenrein: De eigenschap van een jachthond om onbeschoten
hazen niet te achtervolgen. Hazevoet: Ovale voet. De tenen
zijn lang en krachtig. HD: Zie heupdysplasie.
Herdershonden: Groep van honden die op enige manier met vee te
maken hebben. Hertehals: Gebogen hals
die lang en dun is (Italiaans Windhondje). Heupdysplasie:
Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD). Hoeking:
Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen.
Hoogbenig: Voor terriers met een normale beenlengte wordt deze
term vaak gebruikt. Als de verhouding borstdiepte-bodemafstand door een
ondiepe borst of lange onderarm niet optimaal is gebruikt men de term
hoogbenig. Hound staan: Bij rechte voorbenen
staan de voeten iets naar binnen gedraaid. Hubertusklauw:
Vijfde teen aan de binnenzijde van het achterbeen. |

naar boven
|
I |
Inschrijfformulier: Formulier om een hond voor een kynologisch
evenement in te schrijven. Inschri jfgeld: Het bedrag dat verschuldigd
is voor deelname aan een kynologisch evenement.
Isabel: Een van bruin afgeleide (verdunde) vaalgele kleur. |

naar boven
|
J |
Jachtknobbel: Zie achterhoofdsknobbel |

naar boven
|
K |
Kampioen, Internationaal ~: Titel, verleend door de FCI
na het behalen van de vereiste internationale kampioenschapsprijzen
(CACIB), onder vastgestelde voorwaarden. Kampioen, Nationaal ~:
Titel, verleend door de overkoepelende landelijke organisaties na het
behalen van de vereiste kampioenschapsprijzen.
De voorwaarden zijn per land verschillend. Kampioen, Nederlands
~: Titel, verleend door de Raad
van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, na het behalen van
in principe vier kampioenschapsprijzen,
onder bepaalde voorwaarden. Kampioenschapsclubmatch: Clubmatch
van een rasvereniging waar kampioenschapsprijzen
en reservekampioenschapsprijzen behaald kunnen worden. Kampioenschapsprijs:
Zie CAC. Karperrug:
Sterker dan nogal gewelfde lendenpartij (Franse Buldog). Kattevoet:
Kleine, ronde voet. Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond
de keel. Keurmeester: Iemand die op
een expositie honden beoordeelt
en kwalificeert. K.M.S.H.: Koninklijke
Maatschappij Sint-Hubertus (Franstalig: S.R.S.H.
= Société Royale Saint-Hubert). Deze is via
de U.C.S.H. in de FCI
vertegenwoordigd. Knikstaart: Staart waarvan 2 wervels in een
knik met elkaar vergroeid zijn. Knopoor: Driehoekig, hoog aangezet
oor dat zodanig naar voren valt dat de gehoorgang afgesloten is. Koehakkig:
Spronggewrichten die niet parallel, maar naar binnen gebogen staan.
Koppel: Twee honden van hetzelfde ras of dezelfde variëteit, ongeacht
het geslacht. Kortbenig: Door verkorting
van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal
gebouwde hond. Kortharig: Korte bovenvacht met ondervacht.
Korte jacht: Jacht met het geweer. Kraag: Langere, iets
uitstaande vacht rond de hals. Kroeshaar: Gekrulde vacht, waarbij
de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht. Kruis:
Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet. Kruisen:
Het kruisgewijs neerzetten van de voeten tijdens het gaan. Kruisgebit:
Stand van de tanden waarbij een gedeelte van de bovenkaak een schaargebit
vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet
is. Krulhaar: Vacht die sterk krult. Krulstaart:
Staart die in een gesloten ring over de rug gedragen wordt. Kryptorchisme:
Zie cryptorchisme.
Kurketrekkeroor: Gedraaid, hangend oor. Kurketrekkerstaart:
Korte staart waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid
en geknikt liggen. Kwalificatie: Waardering van een beoordeelde
hond op exposities, gegeven
door een bevoegd keurmeester. Kynologie:
Wetenschap over de hond. Deze tem wordt ook gebruikt om de hondesport
in het algemeen aan te duiden Kynoloog: Kenner van honden.
Algemeen wordt er ook de liefhebber van honden mee bedoeld. Kameelrug:
Gebogen rug, waarvan de welving te dicht bij de schoft
begint. |
|