| Nadat we ons door de grote hoeveelheid resultaten, bevindingen
en interpretaties hebben geworsteld, willen we de belangrijkste
conclusies en aanbevelingen nogmaals aan de orde stellen. Daarbij
mogen overwegingen ten aanzien van mogelijke beperkingen van de
gevolgde methodiek niet ontbreken: We zijn in dit onderzoek
uitgegaan van de Berner Sennenhonden die werden ingeschreven in
het NHSB. Dit betekent dat de informatie ontbreekt over de honden
waarvoor geen stamboom werd aangevraagd. Het is zeer wel denkbaar
dat een deel van die honden afwijkingen of stoornissen had, die
daarmee aan het oog werden onttrokken. Er is op geen enkele wijze
een inschatting te geven of dit de onderzoeksresultaten heeft
beïnvloed en in hoeverre hierdoor belangrijke informatie
buiten dit onderzoek is gebleven.
We hebben willens en wetens gekozen voor "het enquêteren
van eigenaren" als onderzoeksmethode. We hebben daarbij voor
lief genomen dat de beantwoording van de vragen aan beperkingen
vanuit de kennis en ervaring van die eigenaren onderhevig kan
zijn. Bij de analyses is niet de indruk ontstaan dat dit, met
de doelstellingen van het onderzoek in gedachten, tot grote hiaten
in de verkregen informatie heeft geleid. Het is echter aan de
lezer daarover een oordeel te hebben.
Bij het analyseren van enquêteresultaten wordt de ruimte
voor het trekken van conclusies bepaald door de mate waarin de
respons 'a-select' mag worden geacht. In de voorgaande verslaggeving
hebben we aangenomen dat er geen verband bestond tussen de onderwerpen
waarnaar werd gevraagd en het al dan niet deelnemen aan de enquête.
Slechts op een enkel punt hebben we verwezen naar de mogelijkheid
van beïnvloeding van de respons vanuit het gevraagde onderwerp.
Desondanks moeten we bedacht blijven op de mogelijkheid dat eigenaren
juist wèl of juist niet deelnamen aan de enquête
om redenen die verband houden met het gevraagde.
Nadat we dit hebben vastgesteld komen we toe aan een aantal conclusies,
aanbevelingen en opmerkingen. Uitdrukkelijk zij gesteld, dat het
om zaken gaat, die in ieder geval aandacht verdienen in de afwegingen
betreffende het te voeren fokkerijbeleid. Het is aan de rasvereniging
om op basis van de hier aangestipte punten, en wellicht ook nog
andere in het rapport genoemde zaken, het fokkerijbeleid vast
te stellen.
1. Bij het bespreken van de vervulling van "de verwachtingen
bij aanschaf” bleek dat één op de acht eigenaren
(12,5 procent) op enigerlei wijze teleurgesteld was. Teleurstelling
is een tweezijdig begrip. Enerzijds is er natuurlijk de kwaliteit
van de hond, en alles wat daarmee mis kan gaan. Anderzijds echter,
is er de vraag of de aankomende eigenaar met reële verwachtingen
tot aankoop overging. Vooral op dit laatste punt kan de verkoper
een belangrijke rol spelen in het neerzetten van een reëel
beeld bij de potentiële koper. Temeer omdat een deel van
de teleurgestelden van mening bleek, dat de verkoper onvoldoende
voorlichting gaf.
2. Uit dit onderzoek blijkt dat slechts één op
de negen honden (11,0 procent) wordt uitgebracht op tentoonstellingen.
Bijna 60 procent daarvan gaat slechts eenmaal naar de show en
ruim 20 procent gaat slechts tweemaal naar de show. De groep
met twee of meer keuringsuitslagen komt op circa twee procent
van de onderzoeksgroep. Dat betekent in de huidige praktijk dat
de actief fokkende populatie drastisch zou worden beperkt, als
in het fokreglement eisen gesteld zouden worden ten aanzien van
showdeelname en showresultaten. Tenzij natuurlijk een groot deel
van de eigenaren besluit om buiten het fokreglement te fokken
of alsnog ertoe wordt overgehaald, te gaan deelnemen aan shows.
3. Het sterftepercentage in het onderzochte leeftijdsgebied is
voor de Berner Sennenhond hoger dan voor de meeste andere rassen.
Het lijkt erop, dat in de eerste vijf levensjaren jaarlijks twee
á drie procent van de honden overlijdt, waarna in het zesde
levensjaar een versnelling optreedt. Rond de leeftijd van zes
jaar overlijdt bijna acht procent honden. We moeten aannemen,
dat dit proces daarna in een verdere versnelling komt. Er mag
discussie zijn over wat moet worden verstaan onder een "normale"
levensduur voor een hond. Duidelijk is in ieder geval, dat er
wezenlijke problemen zijn in een populatie, die de gemiddelde
leeftijd van tien jaar duidelijk niet haalt. Voor de Rasvereniging
en de fokkers ligt daar een belangrijke opdracht. Mogelijk is
het in mindere mate het gevolg van duidelijk aanwijsbare sterfte-oorzaken
en veel meer de prijs, die in termen van vitaliteitverlies wordt
betaald voor een al te zeer toegenomen graad van inteelt.
4. In het hoofdstuk "Gezondheid" werd een aantal keren
gemeld dat een stoornis belangrijke negatieve consequenties heeft
voor het welzijn van het individu. De logisch volgende stap zou
zijn te beslissen, tot het van verdere fokkerij uitsluiten van
dieren die bepaalde afwijkingen hebben of van dieren, die bewezen
hebben deze afwijkingen te vererven. We moeten dit in een algemener
kader plaatsen. Bij selectie maken we de afweging tussen belangen
van individuen en belangen van de populatie (het ras). We willen
het aantal dieren dat pijn, last, ongemak of ander "gebrek
aan welzijn" moet ervaren, tot een minimum beperken. Anderzijds
mogen we niet zoveel dieren uitsluiten van de fokkerij, dat de
erfelijke bestaansbasis aan de populatie wordt ontnomen doordat
een te groot deel van de erfelijke variatie verloren gaat. En
daarmee is het smalle pad voor selectie in kaart gebracht. Bij
het optreden van een uiterst zeldzame afwijking is het geen probleem
om hard te selecteren en, behalve de lijders, alle dragers en
vermoedelijke dragers uit te sluiten. Hebben we te maken met een
algemeen voorkomende afwijking (zoals bijvoorbeeld "het niet
hebben van het predikaat Uitmuntend", hetgeen bij ruim 99
procent van de populatie voorkomt), dan moeten we zeer voorzichtig
te werk gaan. Ongenuanceerde selectie op een dergelijk criterium
leidt tot structureel verlies van erfelijke variatie en daarmee
tot ondergraving van het toekomstperspectief van de populatie.
5. Bij de bespreking van de gezondheidsproblemen blijkt, dat problemen
in de categorie "Ledematen" de hoogste prioriteit dienen
te krijgen in het fokkerijbeleid. Zowat één op de
vier Berner Sennenhonden kampt met dit type problemen. Op de tweede
plaats komen de problemen in de categorie "Huid & Haar”
(één op de zeven honden). Voor de meeste afwijkingen
in beide categorieën geldt, dat ze in hoge mate gebrek aan
welzijn (pijn, last, ongemak) veroorzaken. Daarnaast zou over
de volle breedte van het thema gezondheid moeten worden nagegaan,
welke de belangrijkste levensduurbekortende factoren (ziekten,
afwijkingen en zwakten) zijn.
6. De resultaten van het onderdeel "rasspecifieke gezondheidsproblemen"
zijn geheel en al in lijn met hetgeen we ook bij andere rassen
waarnemen. Problemen waarvan we op voorhand meenden te mogen aannemen
dat ze belangrijk zijn voor de Berner Sennenhond, komen in dit
onderzoek niet als acuut bedreigend naar voren. Kennelijk spelen
afwijkingen als Maligne en Systemische Histiocytose, Voorste Kruisbandlaesie,
Aseptische Supperatieve Meningitis, Maagdilatatie/Maagtorsie,
Hernia Nucieus Pulposis, Epilepsie en Entropion een minder grote
rol binnen de populatie dan werd aangenomen. De oorzaken voor
dit resultaat kunnen in elk aspect van het onderzoek worden gezocht.
We zouden te maken kunnen hebben met een vertekend beeld doordat
het toeval ons parten heeft gespeeld bij de keuze van onze proefgroep.
Evenzeer kunnen we te maken hebben met een vertekening van de
beeldvorming ten aanzien van wat nu precies de meest bedreigende
gezondheidsstoornissen van de Berner Sennenhond zijn. We nemen
vaker waar dat afwijkingen hoog op de "politieke agenda"
van een ras komen naar aanleiding van incidenten of naar aanleiding
van de toevallige beschikbaarheid van meetmethoden die vanuit
het onderzoek worden gepropageerd. En natuurlijk blijft er de
mogelijkheid dat de genoemde stoornissen door een groot deel van
de eigenaren niet wordt onderkend. Dit kan zijn, omdat het probleem
pas na de hier geënquêteerde leeftijd in zijn volle
omvang manifest wordt. Mogelijk ook, heeft het bij sommige afwijkingen
te maken met de "sluipende wijze" waarop problemen in
de loop van de tijd verergeren, waardoor de herkenning door de
eigenaar achterwege blijft. Wat de oorzaak voor de lage frequenties
ook is, het gaat om afwijkingen, die door het overmatig gebruik
van fokdieren razendsnel verspreid kunnen worden. Voor Entropion
geldt extra bedreiging omdat deze afwijking, vanwege haar "onzichtbare
repareerbaarheid" door eigenaren van fokhonden met een wat
ander (lager?) normbesef, willens en wetens kan worden verspreid.
Het overzicht van rasspecifieke ziekten laat zien, dat de problemen
met Heup- en Elleboogdysplasie in ieder geval prioriteit zullen
moeten hebben in het fokkerijbeleid.
6. Bij de analyse van de gedragsgegevens vinden we een duidelijke
tweedeling in de populatie. Het merendeel van de populatie ("de
vriendelijken") wordt gekenmerkt door de karakteristiek 'vriendelijk'
en aanverwante positieve kwalificaties. Een deel van de honden
valt daarbij uit de toon. Bij deze groep honden ("de nerveuzen"
en de "bangen") vinden we een opeenhoping van negatieve
kwalificaties (fel, grommerig en geneigd tot bijten). Nervositeit
en angst zijn vormen van onvermogen om adequaat om te gaan met
prikkels vanuit de omgeving. Voor het individu, dat ermee behept
is, kan de oorzaak zowel in de erfelijke opmaak van het dier,
als in de milieuomstandigheden tijdens de eerste levensweken liggen.
Bij dit laatste moeten we denken aan een "maternaal effect",
een nerveuze moeder die haar eigen nervositeit overbrengt op haar
pups, of aan gebrek aan socialisatie, een fokker die in de nestfase
de pups onvoldoende in contact brengt met mensen en met de prikkels
die zij veroorzaken. Omdat het om een wezenlijk probleem gaat,
verdient het aanbeveling met deze nerveuze en bange dieren niet
te fokken. Ook als het, naar het oordeel van de eigenaar, "slechts"
een milieuprobleem betreft. Deze uitsluiting is voor teven nog
belangrijker dan voor reuen vanwege de niet te onderschatten maternale
overdracht van nervositeit en angst. Gemiste kansen in de nestfase
zijn later nauwelijks te compenseren.
7. Ten aanzien van probleemgedrag (gedrag dat door de eigenaar
wel eens als een probleem wordt ervaren) hebben we met een vergelijkbare
situatie te maken. Enerzijds kan er sprake zijn van een erfelijke
basis voor dit type gedrag, anderzijds zijn er oorzaken aan te
wijzen vanuit het milieu. Gezien de frequentie waarmee probleemgedrag
binnen de Nederlandse Berner Sennenhonden-populatie voorkomt (32
procent), is er alle aanleiding tot het nemen van maatregelen.
Bij een deel van de honden, waarvan de eigenaar het gedrag problematisch
vindt, zien we de eigenschappen bang, grommerig en bijterig. Het
zijn de uitingen van nervositeit zoals in het voorgaande besproken.
Deze dieren mogen niet deelnemen aan de fokkerij. Bij de overige
honden die probleemgedrag vertonen, zien we nogal wat dieren die
luidruchtig zijn. Dit gedrag komt in belangrijke mate tot ontwikkeling
in de opgroeifase, na de nestperiode. Het kan meestal, door een
consequente opvoeding, worden gecorrigeerd of voorkomen. Het spreekt
voor zich dat een gedegen voorlichting van de aankomende koper
kan bijdragen aan het vermijden van dit probleem. Honden, die
desondanks dit type probleemgedrag blijven vertonen, kunnen beter
worden uitgesloten van deelname aan de fokkerij. Deze dieren zijn
mogelijk dusdanig erfelijk belast, dat ook hun nakomelingen voor
de doorsnee-eigenaar nagenoeg onhanteerbaar zijn.
8. De neiging tot het overmatige gebruik van een beperkt aantal
fokdieren (lijnen, herkomsten) verdient de permanente aandacht
vanuit het beleid. We verliezen daarmee de beschikbare erfelijke
informatie, en dus de erfelijke variatie van het ras, die was
opgeslagen in al de niet- of nauwelijks-gebruikte dieren. We bevorderen
bovendien de verspreiding van het erfelijke materiaal van de te
beperkte groep, hetgeen in volgende generaties tot inteelttoename
leidt. lnteelttoename heeft niet alleen negatieve consequenties
in de vorm van achteruitgang van de vitaliteit van het ras. Het
leidt ook tot de overmatige verspreiding van een beperkt aantal
erfelijke afwijkingen hetgeen op enig moment leidt tot het massaal
optreden van een of meer van die afwijkingen.
9. De fertiliteit van het ras mag, op grond van de resultaten
van dit onderzoek, zorgelijk worden genoemd. Allereerst zijn de
gemiddeld geboren aantallen per nest te laag voor een hond van
dit formaat. Indien deze lage aantallen niet worden veroorzaakt
door kunstmatige reductie van het aantal pups per nest, is er
sprake van een fertiliteitstoornis. Het is niet ondenkbaar, dat
deze stoornis één van de signalen is van hetzelfde
vitaliteitverlies, dat ook voor de beperkte levensduur van de
Berner Sennenhond verantwoordelijk is.
10. Daarnaast is, voor een "normaal gebouwd" ras, een
percentage keizersneden van 32 procent onwaarschijnlijk hoog.
Waarschijnlijk is dit het gevolg van de in Berner Sennenhonden
kringen gesignaleerde weeënzwakte. Er is alle reden daar
in het fokkerijbeleid aandacht aan te besteden. En ook hier verdient
het aanbeveling de mogelijkheid van het verlies aan vitaliteit,
als basis voor het probleem, in de overwegingen te betrekken.
11. Het hier gepresenteerde onderzoek levert geen bruikbare informatie
over de kwaliteit van de ingezette fokdieren. De resultaten van
dit onderdeel van de enquête sluiten niet of onvoldoende
aan bij de conclusies, die in de hoofdstukken over Gezondheid
en Gedrag werden bereikt. Op grond van die hoofdstukken is er
aanleiding om op populatieniveau tot beleid te komen, de hier
gepresenteerde kwaliteit van de fokdieren laat weinig te wensen
over. Het is aan de Rasvereniging om met haar leden het gesprek
hierover aan te gaan.
12. Ten aanzien van het te voeren fokkerijbeleid signaleren we
een welhaast onontkoombaar dilemma voor de Rasvereniging. Ze zal
op de eerste plaats voor de belangen van het ras moeten opkomen.
Daarbij verliest de vereniging haar maatschappelijk draagvlak
als ze niet tevens opkomt voor de belangen van de fokkers en vooral
ook van de (toekomstige) eigenaren. Het gaat om twee groepen die
niet altijd dezelfde, soms zelfs tegengestelde belangen hebben.
En bovendien, zo leert de praktijk, vooral de korte-termijn belangen
van de fokkers en de eigenaren lopen niet altijd parallel met
de lange-termijn belangen van het ras. Rasverenigingen hebben
nauwelijks mogelijkheden tot het instellen van sancties tegen
fokkers die, vanuit de optiek van de Rasvereniging, strijdig handelen
met de belangen van het ras. Het fokreglement, gekoppeld aan het
verlenen van pupbemiddeling, biedt hier slechts in beperkte mate
uitkomst. Naarmate een fokreglement meer dure en/of moeilijke
eisen en gezondheidsonderzoeken bevat, zal een beperkter aantal
eigenaren bereid zijn zich aan dit fokreglement te onderwerpen.
Een deel van hen zal afhaken, en besluiten "dan maar niet
te fokken". Een ander deel besluit wèl te fokken en
ziet af van deelname aan de pupbemiddeling. En daarmee wordt een
fokreglement contraproductief. Het beperkt de doorstroom van genetische
informatie, en dus van genetische variatie, naar volgende generaties.
Voor zover dat al wordt gecompenseerd, vindt die compensatie plaats
in een circuit waarin de Rasvereniging nauwelijks invloed kan
uitoefenen. De Rasvereniging, die de ambitie heeft de foktechnische
beslissingen van de fokkers van het ras te beïnvloeden, staat
voortdurend voor een moeilijke keuze. Ze zal de fokkers aan zich
moeten binden om tot die beïnvloeding te kunnen komen. Dat
betekent per definitie dat ze terughoudend zal moeten zijn met
het uitvaardigen van beperkende regels. Vooral ook, omdat het
uitsluiten van nesten van de pupbemiddeling weinig effectief is
in tijden dat het ras populair is. Ze zal anderzijds de belangen
van het ras en van de (toekomstige) eigenaren niet mogen wegwuiven
omdat er anders draagvlak in het "fokkerskamp" verloren
zou kunnen gaan. Van de Rasvereniging en haar Bestuur wordt op
dit punt grote wijsheid gevraagd. Een ras kan alleen dan op de
langere termijn worden behouden als de fokkers er met elkaar in
slagen de genetische variatie van het ras te behouden.
Het selectiebeleid, van al die individuele fokkers tezamen, zal
daarop moeten zijn afgestemd. Daarin past slechts een door de
Rasvereniging voorgesteld selectiebeleid dat recht doet aan de
lange-termijn belangen van het ras en dat door het merendeel van
de fokkers wordt gedragen. De Rasvereniging kan de verantwoordelijkheden
van de fokkers niet overnemen. Ze zal haar effectiviteit moeten
ontlenen aan het aanreiken van mogelijkheden, aan de rol van service-instituut
voor de fokkers. Die effectiviteit gaat juist verloren, zodra
de Rasvereniging door de fokkers als een beperkend bemoeizuchtig
orgaan wordt ervaren. Desondanks, die bemoeizucht blijkt in de
praktijk met enige regelmaat noodzakelijk, ter bescherming van
de belangen van het ras en van de toekomstige eigenaren. Alleen
door cultuurverandering, door het aanbrengen van andere normen
en waarden, kunnen de wezenlijke veranderingen tot stand worden
gebracht. Daarin ligt een belangrijke taak voor de Rasvereniging.
Ze kan gegevens over de ontwikkelingen op rasniveau verzamelen,
analyseren en beschikbaar maken. Ze kan fokwaardeschattingen en
andere genetische gegevens over individuele fokdieren aan de fokkers
aanreiken. De Rasvereniging kan op deze wijze bijdragen in het
besef van de fokkers, dat er voor hen een grote verantwoordelijkheid
ligt, in het behouden van de Berner Sennenhond voor de toekomst.
13. Het verdient aanbeveling de hier gepresenteerde gezondheidsinventarisatie
op termijn van enkele jaren te herhalen, om meer zekerheden te
verkrijgen omtrent de gesignaleerde verschijnselen. Het is bovendien
wenselijk om op detailaspecten, die voor het korte-termijn-beleid
van belang zijn, vervolgonderzoeken in gang te zetten.
uit; Clubblad V.B.S.H. december 2000 |