| Omtrent het onderwerp GEZONDHEID hebben wij de laatste
maand enige informatie ontvangen welke wij u niet willen onthouden.
Als eerste geven wij weer, in volledige vorm, het verslag van het
gesprek tussen bestuurders van de Raad van Beheer en afgevaardigden
van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). Deze
informatie is ons toegestuurd door de Raad van Beheer. Het betreft
een gesprek over afwijkingen bij hondenrassen, waar het Ministerie
aandacht voor vraagt. We beginnen met een citaat uit de begeleidende
brief van het LNV en drukken daarna het verslag af. Het citaat luidt
als volgt:
Geacht bestuur,
Op 9 januari jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers
van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met
leden van het bestuur en een medewerker van de Raad van Beheer.
Dit gesprek was een uitvloeisel van de brief van de directeur
Landbouw van 2 december 2002, waarin het belang dat gehecht wordt
door LNV aan een door de sector zelf uitgevoerd fokbeleid wordt
onderstreept.
Met bijgevoegd document wordt een kort verslag van dit gesprek
aan u toegestuurd en worden de gemaakte afspraken weergegeven.
In het gesprek kwam aan de orde dat een nieuw bestuur de gemaakte
afspreken zal moeten bekrachtigen. Ik wacht dan ook met belangstelling
de reactie van het nieuwe bestuur af.
Wat wij onder de aandacht willen brengen is het feit dat er een
opdracht is naar de rasverenigingen om regels op te stellen, waaruit
blijkt dat men er alles aan doet om afwijkingen te voorkomen en
het welzijn van het dier te waarborgen c.q. te bewaken. Het wordt
dus steeds duidelijker dat het Centrale Fokbeleid van de Raad
van Beheer een raamwerk is voor de rasverenigingen om dit voor
het ras in te vullen. Het is aan ons als vereniging de Berner
Sennenhond om voor het ras deze regels op te stellen. Wanneer
de regels voor behoud van het ras zijn opgesteld gelden deze voor
al diegenen die willen fokken met een Berner.
Het verslag wordt hierna afgedrukt:
Kort verslag/besluitenlijst overleg ministerie van LNV met de
Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland van 9 januari
2003
Aanwezig: mw. J. Jackl en de heren J. Deckers, P. Prins, allen
van de Raad van Beheer en de heren Reijnen en Van der Peet van
LNV.
De heer Reijnen opent de vergadering met de aanleiding van het
gesprek, zijnde de brief van het Ministerie aan de Raad over het
terugdringen van ongewenste erfelijke afwijkingen. Het doel van
het gesprek is om te komen tot afspraken over de verantwoordelijkheid,
die de Raad van Beheer wil en kan nemen, bij het terugdringen
van erfelijke afwijkingen.
Er vindt een informatie-uitwisseling plaats over de activiteiten
die afgelopen jaar hebben plaatsgevonden ten aanzien van het fokbeleid.
De zorg wordt geuit, dat de fokkerijmaatregelen, die afwijkingen
terugdringen, kunnen leiden tot een tweede, 'grijs' circuit van
rashonden, waarop geen grip te houden valt. Aan een dergelijk
grijs circuit zitten nieuwe risico's, zoals het onvoldoende socialiseren
van pups en het ontstaan van extra en nieuwe (gezondheids- en
gedrags)problemen. Bovendien zal de acceptatie van een fokkerijbeleid
door de fokkers beduidend groter uitvallen, wanneer fokkers die
zich in zo'n grijs circuit bevinden en zich nergens iets aan gelegen
laten liggen, ook aangepakt kunnen worden. Hieraan zal bij de
invulling van het fokbeleid aandacht besteed moeten worden.
De stand van zaken nu is, dat een groot aantal rasverenigingen
heeft uitgesproken te willen meewerken aan het fokreglement en
een voorstel voor rasspecifieke invulling bij de Raad hebben ingediend
of aangegeven hebben deze nog te zullen indienen. Tevens wordt
verwacht dat er een beperkt aantal rasverenigingen zal weigeren
medewerking te verlenen.
Geconstateerd wordt dat de Raad van Beheer en LNV een gemeenschappelijk
doel hebben bij het terugdringen van fokafwijkingen.
Door de Raad wordt gepleit voor invoering van een algehele I&R
voor honden. Verwezen wordt naar de ervaringen in Zweden op dit
terrein. Benadrukt wordt dat I&R onontbeerlijk is niet alleen
voor het slagen van een fokbeleid, maar ook voor bijvoorbeeld
het beleid om bijtincidenten terug te dringen. De heer Reijnen
wijst erop dat dit onderwerp aan de orde is binnen de Raad voor
Dieraangelegenheden.
De volgende afspraken worden gemaakt, (met inachtneming van het
onder punt 6 genoemde voorbehoud):
De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland legt zichzelf
een inspanningsverplichting op om de fokafwijkingen terug te dringen.
Per rasvereniging wordt een ingevuld Raamwerk fokreglement naar
LNV gestuurd.
De aanvang van het implementatietraject per ras vindt plaats
na de zomer van 2003, als het centraal fokbeleid in de ALV van
de Raad is goedgekeurd, en de benodigde ICT voorzieningen operationeel
zijn. In het implementatietraject worden door de Raad samen met
de rasvereniging per ras meetbare doelstellingen geformuleerd
die aangeven welke fokafwijking, op welke termijn en op welke
haalbare wijze kan worden teruggedrongen.
Er zullen halfjaarlijkse voortgangsgesprekken plaatsvinden tussen
de Raad en LNV.
LNV inventariseert en organiseert de mogelijkheid ondersteuning
te bieden bij onderzoeksvragen die bestaan bij het terugdringen
van fokafwijkingen - in het bijzonder ondersteuning bij de zogenaamde
fokwaardeschatting.
Het huidige bestuur is sinds 7 december 2002 demissionair en
derhalve niet bevoegd om nieuwe afspraken te maken die de Raad
zullen binden. Bij de bestuursoverdracht op 15 maart 2003 zal
het huidige bestuur in het overdrachtsdossier met klem bepleiten
dat het nieuwe bestuur het commitment met LNV over het terugdringen
van fokafwijkingen zal overnemen.
Geconcludeerd wordt ook dat alleen het fokbeleid onvoldoende
effect sorteert. Het terugdringen van erfelijke afwijkingen zal
ook gepaard moeten gaan met o.a. goede voorlichting.
Tot slot komt het volgende punt aan de orde. De Raad vraagt naar
het standpunt van LNV inzake het door de Raad registreren van
niet-erkende rassen. Mw. Jack! noemt als voorbeeld de Amerikaanse
Bulldog. Zonder registratie lopen deze honden het risico om in
beslag te worden genomen, omdat zij zouden kunnen lijken op een
Pittbull terrier. Dat probleem is er niet als registratie plaatsvindt,
maar als er met zo'n hond een bijtincident plaatsvindt heeft dat
weer negatieve gevolgen voor de overige erkende hondenrassen.
Registratie heeft wel als voordeel dat er een zekere greep op
de fokkerij kan ontstaan (bijvoorbeeld een verplichting tot aan
keuring en met goed gevolg afgelegde MAG-test) en dat is dan weer
positief. Het Ministerie zal hier op terug komen.
GEZONDHEIDSINVENTARISATIES BIJ EEN AANTAL NEDERLANDSE RASHONDENPOPULATIES
1994-2001
De Berner Vereniging heeft van de Raad van Beheer een rapport
ontvangen over de gezondheids- en welzijnsproblemen bij een aantal
rashonden. Tot de groep rashonden van deze enquête behoort
ook de Berner Sennenhond.
De Raad heeft enquête formulieren uitgereikt en 12.499 reacties
ontvangen van 27 rassen verdeeld over de tien rasgroepen. Er zijn
544 reacties ontvangen van eigenaren van een Berner Sennenhond.
We starten met de aanzet zoals deze door de Raad van Beheer is
opgesteld. Het is een inleiding om te kunnen volgen wat de enquête
inhoudt.
U krijgt daarna de statistische gegevens, die zijn verzameld met
betrekking tot de gezondheids- en welzijnsproblemen in ons ras.
De enquête betrof 544 reacties te verdelen over 265 reuen
en 279 teven.
Inleiding.
De praktijk leert, dat de gemiddelde hondeneigenaar slechts ten
dele bekend is met de specifieke diagnoses die door dierenartsen
worden gesteld. In vrijwel alle gevallen echter weet men het systeem
(het functionele deel van de hond) aan te duiden waarin de gezondheidsstoornis
optrad. Vandaar dat, alvorens naar details te vragen, in de enquête
een lijst van achttien systemen werd aangereikt met de vraag,
aan te geven in welke van deze systemen gezondheidsproblemen optraden.
Door deze wijze van vraagstelling wordt per systeem een breed
scala aan problemen gemeld. Variërend van de gebruikelijke
kleine ongerechtigheden en ongemakken tot en met de meest ernstige
en eventueel levensbedreigende stoornissen en afwijkingen. In
de tabel wordt per rashondenpopulatie (wij hebben voor onze berichtgeving
steeds de Berner eruit gehaald en genoteerd) het aantal honden
aangegeven dat problemen heeft of had in de genoemde systemen.
Die aantallen worden vervolgens uitgedrukt als percentage van
het aantal honden in de betreffende onderzoeksgroep. Omdat de
vraagstelling gelijk is voor alle rassen zijn de resultaten onderling
vergelijkbaar. Daarmee hebben we de mogelijkheid om over de grenzen
van de populaties heen te vergelijken. We kunnen zien of een bepaald
type gezondheidsprobleem bij het ene ras "vaker"of "minder
vaak"voorkomt dan bij het andere.
Daar waar sprake is van aantoonbare verschillen in de percentages
"honden met problemen"moet ook sprake zijn van vindbare
oorzaken daarvoor. Voor het overgrote deel zal het om erfelijke
oorzaken gaan, in de vorm van nauwkeurig te omschrijven erfelijke
afwijkingen die meer of minder specifiek zijn voor het ras of
in de vorm van verhoogde gevoeligheid voor het ontstaan van de
ongemakken die we bij vrijwel alle rassen tegenkomen. Onder de
huidige houderij-omstandigheden zullen slechts zelden structurele
milieuverschillen tussen de rassen als oorzaak aan te wijzen zijn.
Met de geschetste aanpak beschikken we over een basis om "gezondheid"
(of het ontbreken daarvan) te vergelijken. We hebben daarmee slechts
beperkt zicht op "welzijn". Per systeem zal bij elk
ras een verzameling van stoornissen en afwijkingen voorkomen die
niet voor alle populaties dezelfde is. Elke stoornis en afwijking
heeft zijn eigen gradaties in termen van aantasting van welzijn
en in termen van aantasting van levensverwachting. We zullen altijd
in laatste instantie moeten nagaan welke problemen binnen het
besproken systeem voorkomen en wat daarvan de welzijnsconsequenties
zijn voor het individu dat eraan lijdt.
We hebben geen norm voor een objectieve beoordeling van de hoogte
van de percentages, we weten niet wat "normaal" is.
Voorlopig is het waarschijnlijk het meest reëel uit te gaan
van een "redelijkerwijs haalbaar laagste niveau". Daarvoor
staat ons geen andere informatie ter beschikking dan het deel
van de reeds onderzochte rassen dat "het beste"scoort
voor de te beoordelen systemen. Het gevolg daarvan is overigens
wel dat men met het toenemen van het aantal onderzochte rashondenpopulaties
de normstelling wordt aangescherpt.
In onderstaande tabel worden de 18 gezondheidsproblemen genoemd
gevolgd door de kolom
Aantal Berners (hier is het aantal Berners te lezen die behoorde
tot dit gezondheidsprobleem). Bij % is aangegeven hoeveel honden
dit betreft op de 100. De normwaarde is zojuist hierboven uitgelegd,
in het kort betekent het dat uit de 12.499 reacties op de eerste
12 gezondheidsproblemen een percentage is vast te stellen wat
als normaal geldt voor een ras. 7% huid en haar afwijkingen is
"normaal" bij de Berner is dit een factor 2 hoger en
wel 15,3% (15 Berners van de 100 Berners hebben dit probleem). |