| Wij weten allemaal dat honden tanden hebben, maar slechts weinig
eigenaars gebruiken hun tijd om zich echt vertrouwd te maken met
de tanden van hun hond en hoe dit gebit gezond te houden. Sommigen
menen onterecht dat dieren geen tandheelkundige verzorging nodig
hebben, want zij krijgen dit ook niet in het wild - dit is gek want
wij zouden ook geen tandheelkundige verzorging krijgen in het wild.
Het feit dat wij deze dieren verzorgen en dat zij niet langer in
het wild leven is een supplementair argument om hun nood aan tandheelkundige
verzorging te lenigen. De eerste stap om deze nood te verstaan is
om te begrijpen op welke manier het gebit zich ontwikkelt en waar
problemen zich kunnen voordoen.
Uitkomen van het gebit;
Puppy’s worden geboren zonder tanden, maar de eerste tand
start met uitkomen wanneer de pups enkele weken oud zijn. Puppy’s
krijgen, net als mensen, twee sets tanden, de melktanden en het
blijvende of volwassen gebit. De puppy snijtanden komen door na
ongeveer 2 tot 4 weken na de geboorte en alle melktanden zijn
meestal aanwezig als de pups 8 weken oud zijn. Honden hebben 28
melktanden. Omdat dit melkgebit zorgt voor de te volgen weg van
het blijvend gebit, moet het melkgebit op de leeftijd van 8 weken
nagekeken worden. Dit om er zeker van te zijn dat de tanden recht
uitkomen en dat er geen aangeboren afwijkingen zijn.
Kort na het uitkomen van de melktanden, beginnen de blijvende
tanden te groeien onder de melktanden.
Blijvende snijtanden komen uit op de leeftijd van 3 tot 5 maanden.
Tegen de leeftijd van zes tot zeven maanden zouden alle blijvende
tanden op hun plaats moeten staan; er zijn in totaal 42 blijvende
tanden. Op een leeftijd van 6 maanden zou er een tandheelkundige
evaluatie moeten plaatsvinden om zeker te zijn dat het blijvend
gebit goed is uitgekomen en er geen tandafwijkingen zijn, zoals
blijvende melktanden. Dit is een probleem dat soms optreedt bij
jonge honden. Dit betekent dat een melktand blijft staan terwijl
hij reeds uitgevallen moest zijn en dit kan 'plaatsgebrek' in
de mond veroorzaken. Wanneer niet vroeg wordt gecorrigeerd, kan
dit permanente veranderingen geven in de stand van het gebit.
Deze blijvende melktanden kunnen verwijderd worden door uw dierenarts
om plaats te maken voor het uitbreken van de volwassen tand. Eerst
worden röntgenfoto's gemaakt om te bevestigen of er inderdaad
volwassen tanden aanwezig zijn onder de melktanden en of ze vanzelf
kunnen uitkomen.
Het is tevens belangrijk zich te realiseren dat boven- en onderkaak
niet gelijkmatig groeien, maar onafhankelijk van elkaar. Dit is
normaal, maar omdat de melktanden en blijvende tanden zo vlug
groeien, kan er een probleem ontstaan bij het scharen van het
gebit als onder- en bovenkaak in verschillende snelheid groeien.
Correcties aan de stand van de tanden wordt orthodontie genoemd.
Tandanatomie
De terminologie voor het beschrijven van tanden is hetzelfde
voor mens en dier. Dieren hebben snijtanden, haaktanden, voorkiezen
en kiezen. Iedere tand heeft vier vlakken en dit is belangrijk
als we het hebben over het nut van tandverzorging. Het labiale
vlak van de tand is de kant van de lippen; het linguale vlak is
de kant van de tong; het occlusale vlak is de bijt- en kauwzone;
het contactvlak is de zone tussen naburige tanden. Wanneer tanden
geborsteld worden gaat de meeste aandacht naar het naar buiten
gerichte labiale aspect van de tand, want dit is de meest toegankelijke
kant, maar het is belangrijk te onthouden dat plak zich vormt
op alle vlakken en alle vlakken moeten gereinigd worden.
Het deel van de tand dat boven het tandvlees uitsteekt, en dat
we kunnen zien, is de kroon. Dit is het deel van de tand dat we
thuis kunnen reinigen. De buitenste laag van de kroon is het tandglazuur,
dat een harde beschermlaag vormt over het onderliggende tandbeen.
Dit tandbeen bestaat uit vast materiaal en is het grootste deel
van de tand. Het kan gevoelig zijn zowel voor warmte als koude
en moet daarom bedekt zijn door een gezonde laag tandglazuur.
De tandwortel is het deel onder het tandvlees. Cement bedekt
de tandwortel en helpt de tand te verankeren in het onderliggend
been.
De middelste pit van de tand heet pulp. De pulp is zacht en bevat
zenuwen en bloedvaten. Wanneer de pulp bloot ligt, wordt de tand
pijnlijk. In dit geval kan de tand hersteld worden door speciale
endodontische procedures of kan hij getrokken worden.
De tand zelf ligt verankerd in het peridontium. Dit bestaat uit
tandvlees, ondersteunende ligamenten en been. Het is in dit gebied,
tussen de tanden en het tandvlees, dat pockets zich ontwikkelen
en gingivitis (tandvleesontsteking) optreedt. Het tandvlees is
de eerste verdediging tegen periodontale ziekten. Als tandheelkundige
gezondheidszorg niet toegepast en volgehouden wordt, zal dit mettertijd
in periodontale ziekten resulteren; er is verlies van ondersteunend
been, en de tanden komen los en vallen uit. De begeleidende infectie
kan zich verspreiden via de bloedstroom naar lever, nier en hart
en andere gezondheidsproblemen veroorzaken. Thuisverzorging en
een regelmatig preventief onderhoud door de dierenarts zorgen
ervoor dat het gebit en het tandvlees in gezonde staat blijven
gedurende het hele leven van het dier.
Het kauwen
De meeste mensen waarderen dat boven- en ondertanden elkaar raken
op een normale manier en er zijn zeker veel mensen die een beugel
hebben gedragen voor het recht maken van hun eigen gebit. Bij
honden wordt het scharend gebit als de normale occlusie (het raken
van boven- en ondertanden) beschouwd. In een 'normaal' gebit eindigen
de bovensnijtanden net voor de ondersnijtanden, wanneer de mond
gesloten is. Er zijn veel andere regels die toepasselijk zijn
op de raakvlakken van kiezen en voorkiezen, waar de haaktanden
en op welke manier de kaakbeenderen moeten staan als de mond gesloten
is. Wanneer de mond abnormaal sluit, zal er abnormale slijtage
zijn, pijn bij kauwen en moeilijk eten. Er zijn natuurlijk wel
rassen gecreëerd met een 'abnormale' mond en dit moet aanvaard
worden. Bij de meeste rassen is prognathisme (ondervoorbijter)
een genetische fout en deze dieren mogen niet ingezet worden voor
de fok. Het
tegenovergestelde probleem is brachygnathisme (bovenbijter), dat
altijd een abnormaliteit is. Deze dieren mogen ook niet gebruikt
worden om te fokken. Het is belangrijk te noteren dat sommige
orthodontische problemen niet van genetische oorsprong zijn, maar
voortvloeien uit het 'ineengrijpen' van tanden wanneer onder-
en bovenkaak met verschillende snelheid groeien. Wanneer deze
malocclusie (slecht sluiten) interfereert met de functie van de
tanden kan de correctie verricht worden met orthodontie. Uiteraard
moet orthodontie niet aangewend worden voor cosmetische doeleinden
bij rashonden met overerfbare defecten aangezien zij deze problemen
nog kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. |