'De hondenkar' |
| Uit; Dieren praktijken |
|
| Dat honden geliefde huisdieren zijn,
is algemeen bekend. Dat ze daarnaast goede waakdieren kunnen zijn,
is ook bekend. Een kleine eeuw geleden werd de viervoeter echter
nog een andere taak toebedeeld: als trekhond van de hondenkar. Trekhonden
en hondenkarren waren vooral in de periode 1800 tot 1961 bepalend
voor het straatbeeld in Nederland. Ingespannen vóór,
onder of achter de kar liet de mens de hond voor hem werken om allerlei
lasten en vrachten te vervoeren. Eén van de reden om de hond
als trekdier in te zetten, was dat het een goedkopere 'werknemer'
was dan bijvoorbeeld een paard. Een hond was meestal voor een lage
prijs aan te schaffen en stelde geen hoge eisen aan voeding, onderkomen
en verzorging. Militaire dienst;
De begeleider van een hondenkar had meestal meerdere honden.
Als de hond niet werd gebruikt voor de hondenkar, werd hij aan
de ketting gelegd en diende hij die dag als waakhond. Een hondenkarbegeleider
of eigenaar zorgde vrij goed voor zijn hond(-en). Hij was voor
zijn werk immers van hem afhankelijk. Hij onderzocht zijn dieren
regelmatig op verwondingen en lichamelijke gebreken. De hondenkarren
waren populair bij verschillende soorten kooplieden, zoals bakkers,
visventers, petroleumventers en melkboeren. Ook de Nederlandse
posterijen maakten gebruik van trekhonden. In 1912 werd de hondenkar
officieel bij de PTT ingevoerd. Maar volgens de verhalen werden
al in 1850 honden gebruikt voor het vervoer van allerlei vrachten
voor 'Tante Pos'. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) vervulden
ruim l200 trekhonden hun militairendienst in Nederland, soms onder
de meest moeilijke omstandigheden. |
| Rassen; Trekhonden waren over het algemeen groot
en stevig en van het type Bouvier, Dog, Herder of Sennenhonden.
De inmiddels uitgestorven Mâtin Beige ofwel de Belgische Rekel
was de trekhond bij uitstek. Deze 'kanjer' kon met redelijk gemak
een vracht van honderdvijftig tot tweehonderd kilo in een kleine
draf trekken. Om de hond vóór, onder of achter de
hondenkar te spannen, gebruikte men lederen tuigmateriaal (ook wel
'getuig' genoemd) dat hoofdzakelijk uit riemen bestond. Ook gebruikte
men wei eens een hondenzadel of een 'hondenhaam', een soort juk
dat de hond om zijn nek droeg. De Wet; In de loop van de jaren
daalde de populariteit van de hondenkar. Andere vervoersmiddelen
kwamen in opkomst en de trekhond werd langzaam maar zeker vervangen
door het paard.Bovendien werd de regelgeving rond de inzet van
trekhonden in de loop der jaren een stuk scherper.Zo trad in 1910
al de Trekhondenwet in werking.Hierin was bepaald dat zowei de
begeleider als de kar aan een aantal wettelijke verplichtingen
moesten voldoen.
Houders van trekhonden moesten geregistreerd staan en een vergunning
hebben, afgegeven door de gemeente. |

Qaey van de Klaverhoeve |
| Verder waren er voorschriften voor de afmetingen
en het maken van het tuig en de kar. De laatste moest uitgerust
zijn met een drinkbak en ligplank, zodat de hond tijdens zijn pauzes
niet in de sneeuw of bagger hoefde te rusten. De wet bepaalde ook
dat trekhonden ouder dan een jaar moesten zijn en een schofthoogte
van minimaal zestig centimeter. Zelfs de maximumsnelheid was omschreven:
deze mocht niet hoger zijn dan de snelheid van een paard in draf.
In de praktijk nam men het echter niet zo nauw met de voorschriften
van de Trekhondenwet. Het toezicht op de naleving van de wet was
een taak van de politieagenten, gemeenteveldwachters en rijksveldwachters.
Zij controleerden of de aangespannen honden wei groot en sterk genoeg
waren om hun last te trekken. Veel van deze mensen waren actief
bij verschillende honden of verenigingen, die zich inzetten voor
het leed van dieren. Verbod;
Uiteindelijk werd in 1961 het gebruik
van de hond als trekdier in Nederland wettelijk verboden. Op de
laatste dag van dat jaar werden de laatste 23 trekhonden voorgoed
uitgespannen. Tegenwoordig is in andere landen het trekken van
karren echter nog steeds een vorm van folklore of een heuse tak
van hondensport. In Nederland zijn deze activiteiten taboe. Het
wordt in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren aangemerkt
ais dierenmishandeling en is zelfs strafbaar' Siechts voor enkele
rassen geldt een vrijstelling: de Alaskan Malamute, Eskimohond,
Groenlandse Hond, Samojeed en Siberian Husky. Voorwaarde is dat
zij een zuiver ras moeten zijn, dus geen kruisingen. Zij mogen
een kar of slee trekken, mits hun eigenaren in het bezit zijn
van een ministeriële beschikking en er geen pijn of letsel
wordt veroorzaakt, en hun gezondheid of welzijn niet wordt benadeeld. |
| |
Dit artikel is tot stand gekomen
met medewerking van Bert Willemen, onderzoeker en verzamelaar
van alerlei vormen van hondenkargegevens. Heeft u foto's, afbeeldingen
of gebruiksvoorwerpen die te maken hebben met de hondenkar over,
dan kunt u hem daar een enorm plezier mee doen. Zijn adres is
Laagstraat 103, 5121 ZE Rijen (telefoonnummer 0161 - 225665, email:
b.wiilemen@home.nl) |
|